 |
Hier kan u het integrale interview met Guido Fonteyn lezen (Gazet van Jette, editie januari 2011)
Guido Fonteyn woont in de Essegemstraat in Jette. Een banale, degelijke Brusselse straat, ware het niet dat de beroemde schilder Magritte er gewoond, gewerkt en geleefd heeft. Guido kocht eind jaren ‘60 toevallig het huis ernaast. Van de eigenares kwam hij terloops te weten dat er vroeger een schilder naast haar woonde die soms appelen en peren kwam lenen om na te schilderen. Op een dag viel zijn oog op een soort duivenkot in de tuin van de buren. Het bleek de “Dongo” van Margritte te zijn, het atelier waar hij zijn kadertjes maakte. Later werd alles gerestaureerd en omgevormd tot een museum. “Zwaar onderkend”, zegt Guido, “wekelijks passeren hier massa’s bezoekers van over de hele wereld, allemaal Magritte liefhebbers en/of kenners.”
Guido Fonteyn is een rusteloos iemand. We ontmoeten elkaar bij hem thuis. Zijn werkkamer is een indrukwekkende opeenstapeling van boeken, souvenirs en allerlei documenten. Gewoon stilzitten is moeilijk. Tijdens het gesprek staat Guido voortdurend op, wandelt rond om zijn betoog kracht bij te zetten, dingen op te zoeken. Gepassioneerd door de journalistiek en door het sociale, politieke, economische en culturele leven dat zich buiten Vlaanderen afspeelt. Voornamelijk dat van de Walen, de Duitstaligen en de Brusselaars.
Het schrijven zit je in het bloed. Vijfendertig jaar bij De Standaard, nu het ene boek na het andere. Was je als kind voorbestemd om journalist te worden?
Guido Fonteyn: Het heeft altijd in mij gezeten. Op school was ik goed in opstellen schrijven. Op mijn 17e was ik plaatselijk correspondent in Evere. Ik ben dan in Leuven pers en communicatie gaan studeren en in 1972 ben ik begonnen bij De Standaard. Ik weet niet waarom, maar het is nooit anders geweest.
Waar is de liefde voor Wallonië ontstaan?
Guido Fonteyn: Daar kan ik geen definitief antwoord op geven. Ik weet ook niet of de term “liefde” op zijn plaats is, ik ben en blijf in de eerste plaats Brusselaar. Nu, het feit dat ik Brusselaar ben, heeft er zeker in meegespeeld. Mijn Vlaamse collega’s op de krant waren niet zo bedreven in het Frans, dus werd ik op pad gestuurd als er bij onze Waalse broeders nieuws te rapen viel. Een ander punt zijn de scoutskampen in de Ardennen, die een onuitwisbare indruk nalieten. Op je twaalfde een everzwijn in het bos tegenkomen; dat vergeet je niet. Tot slot ook nog een belangrijk journalistiek element. De eerste grote staatshervorming dateert nog maar van de jaren ‘70, de periode dat ik als journalist begonnen ben. De meeste collega’s waren enkel gefocust op het federale niveau of op de Vlaamse instellingen. Ik trok naar alles wat Waals of Duitstalig was.
En dat is je goed bevallen?
Guido Fonteyn: Ik had mijn vaste stek in Namen, waar ik het werk van het Waalse parlement volgde en vandaar zwermde ik uit naar La Louvière, Luik, Charleroi. Het is vooral vanuit journalistiek standpunt dat ik die uitvalsbasis in Namen zo interessant vond. Als journalist werk je beter als je de dingen van buitenaf kunt observeren. Ik ben er rechtstreeks bij betrokken, ik ben geen militant van de Waalse zaak. Ik heb er met de jaren natuurlijk wel een omvangrijk netwerk van contacten uitgebouwd en ik heb er ook veel vrienden wonen. Maar goed, als ik in Wallonië kom, ben ik nog altijd “le flamand qui vient du nord”, zelfs al weten ze dat ik zeer genuanceerd denk. Ik merk bij mezelf ook dat de artikels die ik over Brussel schrijf een groter engagement uitstralen. De lezer zal zeer snel begrijpen dat ik een overtuigde Brusselaar ben.
Let wel, ik vind Wallonië een enorm boeiende en prachtige streek waar ik mij thuis voel. We hebben een vakantiehuisje in de buurt van Mariembourg, de zuidelijke Ardennen. Het is daar ongelofelijk mooi en rustig. Ik zit daar minstens een keer per week.
Wat is jouw grootste verdienste als journalist?
Guido Fonteyn: Is moeilijk te zeggen. Een van de belangrijkste dingen is alleszins het doorbreken van de clichés, de vooroordelen die beide taalgemeenschappen over elkaar hebben. Dat is voor een stuk ook mijn drijfveer om boeken te schrijven. Op die manier leert de lezer Wallonië of de Oostkantons beter kennen, de historiek, de achtergronden, mooie onbekende plekjes, maatschappelijke en economische evoluties, tendensen, enz. Wat weten we bijvoorbeeld van de Oostkantons buiten het feit dat je er kan langlaufen of gaan wandelen?
Zo ben ik tijdens het schrijven van mijn laatste boek (“Grensgebied. Van Voeren tot Sankt-Vith”) tot de conclusie gekomen dat Duitstalig België het best functionerende onderdeel van ons land is. De figuur van Karl-Heinz Lambertz (minister-president) zal daar zeker in meegespeeld hebben. Een schitterend politicus en een heel intelligente en hartelijke man.
Welke zijn volgens jou de grootste clichés die Vlamingen en Walen van elkaar hebben?
Guido Fonteyn: Dat de Walen lui zijn en de Vlamingen racistisch. Dat Vlaanderen het schoonste volk ter wereld herbergt en dat de Walen tot niks in staat zijn. Die dingen kloppen natuurlijk niet. Als je zoiets hoort, heb je als journalist werk te doen, kwestie van het geheel te kaderen. Als iemand zegt dat de Walen lui zijn, dan probeer ik uit te leggen dat op een bepaald moment de werkgelegenheid daar zo goed als vernietigd is. In vrij korte tijd heeft de zware industrie Wallonië verlaten en dan zit je dus met hallucinante gegevens. De staalverwerkende nijverheid ging er weg omdat er geen haven was, de steenkoolmijnen gingen dicht, enz. In een streek als La Louvière waar 165 000 mensen wonen, zijn er op dertig jaar tijd 70 000 arbeidsplaatsen verdwenen. Dat kan je niet op een generatie te boven komen. Voor hetzelfde geld zou je kunnen zeggen dat de Vlamingen tot aan de Tweede Wereldoorlog ook lui waren.
De eerste 150 jaar dat België bestond was het in Vlaanderen al armoede, kommer en kwel dat de klok sloeg. Vlamingen emigreerden trouwens massaal naar Wallonië. In 1848 waren 450.000 inwoners van de provincies Oost-en West Vlaanderen of 1/3 van de bevolking bedelaars, vandaar de massale exodus. In 1947 telde men in Wallonië circa 750 000 Vlamingen waarvan veel mijnwerkers.
Vlaanderen en Wallonië hebben elkaar op dat vlak dus niets te verwijten. En aan beide zijden zijn er natuurlijk ook fouten gemaakt. Wallonië heeft in het verleden niet altijd even adequaat gereageerd op de hoge werkloosheid. Maar wat doe je met een totaal ontredderde bevolking zoals toen men zowel in Charleroi als Cockerille de ovens sloot.
En de Vlamingen worden dan weer als racistisch bestempeld.
Guido Fonteyn: Dat de Vlamingen racisten zouden zijn, moet je ook historisch proberen te kaderen. Wallonië heeft gedurende meer dan 150 jaar leren omgaan met hetgeen we nu allochtonen noemen. Wallonië is vanaf 1800 tot 1950 een immigratieland geweest. Eerst kwamen de Vlamingen er in groten getale binnen vallen, later Italianen en anderen. In het begin was er in Wallonië trouwens ook veel racisme. Zo hadden de Vlaamse mijnwerkers het er niet onder de markt, ze werden lange tijd geminacht en bespot. In toneelstukjes door Vlamingen-imitatoren werden ze voorgesteld als ros, lui, ondervoed, vraatzuchtig, dik, dom, ruziemakers, stakingbrekers. Geleidelijk aan hebben de Walen met allochtonen leren leven.
Vlaanderen is pas vanaf de jaren ’60-‘70 een streek van immigratie geworden. Dat gaat nu eenmaal samen met de stijging van de economische activiteiten en de stijgende welvaart. De immigratie is een nieuw element dat de maatschappij binnenkomt en waarmee men moet leren omgaan. En dat heeft zijn tijd nodig. Wees gerust, het zal geen generatie meer duren of men spreekt er niet meer over.
Je wijst er in je artikels regelmatig op dat de economische positie van Vlaanderen ook niet meer zo sterk is.
Guido Fonteyn: Delokalisering van bedrijven, hetzelfde fenomeen dat Wallonië trof, is nu ook in Vlaanderen te merken. De textielindustrie is zo goed als verdwenen, verhuisd naar lagelonenlanden. Opel Antwerpen heeft zijn laatste -zwarte- Astra van de band zien rollen. De bedrijven verplaatsen zich naar landen waar de loonkosten lager liggen en vooral naar gebieden waar ze nieuwe klanten vinden. Kijk bijvoorbeeld maar naar China: als de Chinezen binnenkort ook allemaal hun eigen auto kunnen kopen, valt hier in vergelijking met ginder niet veel meer te rapen. Dat is nu eenmaal de macht van de markt en die is veel groter dan veel mensen denken. En de politiek, de overheid, kan daar niet veel tegen doen. Het is niet de overheid die jobs creëert, of toch slechts in beperkte mate, ze kan enkel proberen te anticiperen op de problemen die rijzen.
In Wallonië schijnt het de laatste jaren beter te gaan, of is dat maar een idee? Guido Fonteyn: Ik merk duidelijk een positieve evolutie. Het zogenaamde Marshall-plan begint duidelijk zijn vruchten af te werpen. Er zijn dan ook vele miljarden vanuit Europa (en ook Vlaanderen) in Wallonië gepompt. Ten eerste is er de as die loopt van Brussel over Waals-Brabant naar Luxemburg en het Groot-Hertogdom. Die is duidelijk aan het heropleven. Ten tweede is er het Waalse luchtvaartbeleid. De luchthavens van Bierset en Charleroi zijn aan een ongelofelijke opmars bezig. Er is op dat vlak in Wallonië een totale mentaliteitswijziging. Wie is voorzitter van de raad van bestuur van de luchthaven van Bierset? José Happart, de vroegere straatvechter van Voeren. Die heeft zijn blikveld duidelijk verlegd, in goede zin dan, je hoort hem niet meer als het over communautaire kwesties gaat. Men gooit het nu over een andere boeg en dat merk je aan alles. Er is een snel groeiend aantal Waalse bedrijven op de Belgische markt.
Toch blijven de Waalse politici huiverachtig voor een grote staatshervorming. Lijden ze aan een soort verlatingsangst?
Guido Fonteyn: Niet iedereen in Wallonië, o.a. de industrie en de ondernemers, denkt er zo over. Maar het is juist. Het inzicht dat een staatshervorming ook voor hen zeer nuttig zou zijn, is van zeer recente datum. De Walen hebben zich zeer lang goed gevoeld in het koninkrijk België. Van bij het ontstaan is het hen economisch voor de wind gegaan, het land was compleet verfranst; ze voelden zich beveiligd in België.
Ook op communautair vlak is er een evolutie. De in Vlaanderen als vanzelfsprekend aangenomen culturele solidariteit tussen Wallonië “la Wallonie” en de francofonie die zich voornamelijk in Brussel situeert, is niet meer. Een bepaald type Franstaligen heeft de indruk dat de francofonie in België voortdurend terrein verliest. Voor hen was België een compleet Franstalig land met de Franstaligen als leidende klasse. En in de ogen van iemand als Olivier Maingain gaat die klasse nog altijd achteruit. Vroeger was het onderwijs, de ambtenarij in Vlaanderen Franstalig. Geleidelijk aan zijn ze de francofonie verloren in Oostende, in Gent, in Antwerpen, in Tongeren. En nu voeren ze strijd in de Rand. Vandaar dat ze zo hevig zijn. De doorsnee Waal denkt daar veel genuanceerder over.
Wat de Vlaamse Rand betreft is er trouwens ook een evolutie aan de gang. De jongste verkiezingen is het FDF sterk achteruit gegaan. Die verkrampte houding van zowel Franstaligen als Vlamingen is dom en is aan Vlaamse kant dikwijls nog steeds de uiting van een minderwaardigheidscomplex. Zo vind je in de bibliotheek van Overijse geen enkel anderstalig boek of hangt er aan de plaatselijke voetbalclub een spandoek met “Wij sporten in het Nederlands”. Ook de francofonie is er niet meer wat ze was. De nieuwe inwijkelingen daar zijn geen klassieke francofonen meer, die staan veel meer open voor de Vlaamse cultuur, ze willen integreren in de gemeenschap.
Net zoals de doorsnee Vlaming ook genuanceerder denkt?
Guido Fonteyn: Ook hier moet je alles in een historische context plaatsen. Als je teruggaat in de geschiedenis zie je dat de Belgische staat de Vlaamse inwoners van dit land meer dan honderd jaar zeer slecht behandeld heeft. Vlaanderen is meer dan een eeuw extreem arm geweest met als gevolg de migratie van armoedzaaiers die vanuit het Noorden naar het Zuiden van het land trokken. De Vlaamse beweging is een sociale beweging geweest die duidelijk zijn vruchten afgeworpen heeft en die leidde tot een compleet herstel van wat we nu Vlaanderen noemen, de taal, de instellingen, de cultuur, enz. Het Vlaams nationalisme gaat veel verder en denkt in termen van een homogene autonome gemeenschap. Zuiver Vlaams, waar alle vreemde invloeden moeten worden geweerd. Dat is natuurlijk ridicuul en niet meer van deze tijd. Het merendeel van de Vlamingen is niet gewonnen voor een splitsing van België. Hierbij kom ik terug op een thesis die ik al jaren en jaren verdedig. Wij in Vlaanderen hebben er alle belang bij om rechtstreeks met de Walen te onderhandelen: de twee minister-presidenten Peeters en Demotte, de werkgeversorganisaties, de vakbonden, enz. Dat zou een veel realistischere aanpak zijn.
De Franstalige pers in dit land speelt het anderzijds toch ook hard?
Guido Fonteyn: Kranten zoals “Le Soir” en “La Dernière Heure” doen inderdaad mee aan dat communautaire opbod. De mensen van “Le Soir” schrijven nog steeds vanuit een bepaalde vorm van nostalgie, het Brussel van de jaren ‘60. Het wordt hen ook niet in dank afgenomen. De lezersaantallen gaan systematisch achteruit. Andere kleinere Waalse kranten zoals “Vers l’Avenir” die veel gematigder zijn, worden dan weer nooit geciteerd. Het grote probleem is eigenlijk het ontbreken van een grote Waalse pers.
Je hebt meer dan 30 jaar voor “De Standaard” gewerkt. Ooit spijt gehad dat je er bent weggegaan?
Guid Fonteyn: Absoluut niet. Vlak na mijn afscheid ben ik even op het kabinet Chabert gaan werken als deeltijds adviseur. Om een afkickperiode in te bouwen zeg maar. Maar dat, met alle respect voor Jos Chabert, lag mij niet. Ik heb me dan maar terug op mijn eerste en enige liefde, het schrijven, geworpen. Ik werk nu als zelfstandig journalist en ik heb het nog nooit in mijn leven zo druk gehad. Maar ik geniet ook met volle teugen. Ik schrijf momenteel voor Le Vif, La Libre Belgique, De Standaard, De Morgen en de Randkrant. En dat is maar één facet van mijn bezigheden. Momenteel word ik ongelofelijk veel gevraagd om her en der lezingen te geven, aan debatten deel te nemen, enz. Van Antwerpen over Kortrijk tot Libramont en Eupen. Zo heb ik deze maand een 15-tal lezingen en al twee aanvragen voor 11 juli-toespraken in 2011. Maar de meeste voldoening beleef ik aan mijn boeken. Zonder vooroordelen en met een open geest op verkenning trekken, nieuwe dingen ontdekken, contacten leggen, alles uitpluizen en verwerken. Dat is pas echte journalistiek en het liefste wat ik doe.
En je komt altijd iets verrassends tegen. Zo belandde ik tijdens mijn opzoekingswerk voor mijn laatste boek “Grensgebied. Van Voeren tot Sankt-Vith” in Roclenge-sur-Geer (Rukkelingen-aan-de-Jeker). Rukkelingen behoorde vroeger tot de provincie Limburg, maar het dorp werd bij de vastlegging van de taalgrens in 1962 naar de provincie Luik overgeheveld. Dit afgelegen dorp in de wel meest vergeten vallei van België trok mijn aandacht door de aanwezigheid van -voor dit soort plaatsen te grote- villa’s en kasteeltjes. Onmiskenbare tekenen van een vroegere periode van welvaart. Deze bleek voort te spruiten uit de stro-industrie. Dit moet iets te maken hebben met de mergelachtige ondergrond waardoor de strohalmen er ongewoon lang en stevig groeien. Ik ontmoette in het dorpje een archeoloog die samen met zijn vrouw de hele geschiedenis van het stro letterlijk uit de grond en uit de kelders, zolders en kasten van de huizen van de dorpsbewoners heeft gehaald. Het resultaat was wonderbaarlijk. Na het bewerken van het stro (tressen) werd het stro afgeleverd bij de hoedenmakers die er schatrijk van werden. Ze trokken met hun hoeden tot in het buitenland o.a. Londen en Parijs en gingen zich er vestigen. Zo droegen Le Corbusier en Maurice Chevalier een hoed uit die streek. Na de Eerste Wereldoorlog kwam plotsklaps de teloorgang. Het dragen van een strohoed geraakte uit de mode en daarbovenop kwamen Chinese strohoeden op de markt die veel goedkoper waren. Of de opstand en de val van de strohoed… en van een hele streekindustrie.
Hoe zie je de huidige politieke toestand evolueren? Zal men er in slagen een regering te vormen? Of een grote staatshervorming te realiseren?
Guid Fonteyn:
Het schijnt duidelijk niet te lukken. Zelfs de meest onpartijdige waarnemer moet immers zo stilaan tot de vaststelling komen dat de N-VA niet in een regering wil treden, of daar bij gebrek aan voldoende kaderpersoneel – essentieel om de kabinetten te bevolken – niet kan intreden. Plan A is dus veroordeeld om te mislukken. Het N-VA programma is eerder op gevoelens dan op dossiers gevestigd en dan vooral op de grote gedachte dat het straks, in een onafhankelijk en een zo blank mogelijk Vlaanderen op alle vlakken veel beter zal zijn dan in dat ouderwetse België, dat van de francofonie en van de asielzoekerij. In dat Nieuw-Vlaanderen zal orde en tucht heersen en wie het met deze benadering niet eens is, is een slechte Vlaming.
Wanneer zal dan ook de CD&V eindelijk inzien dat zij zichzelf een slechte dienst bewijst door nog langer te fungeren als het aanhangwagentje van de N-VA met Wouter Beke als de waterdrager van Bart De Wever? Wie hier met CD&V’ers over praat, krijgt enkel electorale overwegingen als antwoord, de schrik om bij mogelijke verkiezingen nog kleiner te worden dan de N-VA. Iedereen is het erover eens dat verkiezingen vermeden moeten worden, maar de beste methode om Bart De Wever en zijn N-VA te counteren bestaat er vermoedelijk in het land zo lang en zo goed mogelijk te besturen, zonder de N-VA, en niet om hem langer te blijven aanbidden.
Vermits Plan B alleen maar een verre dreiging was (La Belgique française, zonder Vlaanderen) gaat men volgens mij Plan C uit de kast halen. Plan C bestaat uit de vorming van een regering waarbij aan Vlaamse zijde -eindelijk!- afscheid wordt genomen van de N-VA. CD&V, SP.a, Open VLD en Groen kunnen perfect een meerderheid vormen in een regering waarin aan Franstalige zijde PS, CDH en Ecolo samenwerken. Dit is natuurlijk maar een voorspelling. We zien wel. Een zaak is duidelijk, het hele spelletje heeft lang genoeg geduurd. Het wordt tijd dat men tot een constructieve oplossing komt.
|
 |
|